Oefening 1: De vingers strekken
- Plaats je handen voor je en adem in...
- Op een uitademing, beweeg je vingers naar links, je polsen zijn gefixeerd.
- Keer terug naar het midden, adem in.
- Buig op een uitademing je vingers naar rechts en keer op een inademing terug naar het midden.
Oefening 2: De polsen strekken
- Plaats je handen voor je.
- Vouw je vingers in elkaar.
- Verbind je onderarmen.
- Draai langzaam van rechts naar links en dan van links naar rechts en probeer rustig te ademen.
Oefening 3: Polsen laten rollen
- Plaats je handen met je palm naar de lucht.
- Je pink geeft je de richting om je polsen te krullen.
- Ga terug naar voren en plaats je handen terug naar de lucht.
- Je kleine vingers geven weer de richting aan om je polsen te krullen.
- Eindig van voren, met je handen naar de lucht gericht.
Vergeet niet om rustig te ademen tijdens de oefening.